Vraag: Kunt u absolute rechtvaardigheid en relatieve rechtvaardigheid toelichten? Mag het recht van individuen, op grond van het beginsel van relatieve rechtvaardigheid, terzijde worden geschoven voor het belang van de staat of van een institutie?
Antwoord: Rechtvaardigheid betekent in de meest wezenlijke zin evenwicht en rechte koers: een leven dat het rechte pad volgt. Voor het leven van individu en samenleving, en voor het voortbestaan van volkeren, is het behoud van dit evenwicht en deze rechte koers van doorslaggevend belang. Rechtvaardigheid betekent tegelijk dat het dienaarschap tot volmaaktheid komt en dat de mens zijn leven inricht naar goddelijke maatstaven. Rechtvaardigheid is dus niet louter een juridisch begrip; wie haar uitsluitend als een kwestie van maatschappelijke orde beschouwt, doet haar tekort. Rechtvaardigheid houdt ook nauw verband met de innerlijke wereld van de mens, met zijn geloof en met zijn dienaarschap. Anders gezegd: of iemand werkelijk rechtvaardig kan zijn, hangt ervan af of hij een oprecht godsdienstig leven leidt. Zo noemt Bediüzzaman, wanneer hij de kerndoelen van de Koran opsomt, na de eenheid van God, het profeetschap en de wederopstanding ook rechtvaardigheid. Rechtvaardigheid, onderstreept hij, is een voorwaarde voor een volmaakte godsdienstbeleving.[1]
Hoewel sporen van het onderscheid tussen absolute en relatieve rechtvaardigheid te vinden zijn in het islamitisch denken, is het Bediüzzaman die deze twee begrippen systematisch en helder heeft uitgewerkt.[2] Absolute rechtvaardigheid aanvaardt niet dat het recht van ook maar één onschuldige wordt geschonden, zelfs niet wanneer het algemeen belang van de samenleving op het spel staat. Volgens deze opvatting is het onaanvaardbaar om het recht van één te laten wijken voor het recht van het volk. Relatieve rechtvaardigheid gaat er daarentegen van uit dat men een betrekkelijk kleine schade aanvaardt om een grotere schade te voorkomen. In dat opzicht steunt ze op het principe van “het minste kwaad”. Je zou kunnen zeggen dat bij absolute rechtvaardigheid het recht voorop staat, en bij relatieve rechtvaardigheid het algemeen belang.
Het risico van misbruik van relatieve rechtvaardigheid
Wie een leidinggevende positie bekleedt, dient zich zo veel mogelijk aan absolute rechtvaardigheid te houden. Want dat is de hoogste vorm van rechtvaardigheid. Wat een gelovige te doen staat, is om zich op elk gebied van het geloof te laten leiden door het ideaal. Toch kunnen zich situaties voordoen waarin er niet de mogelijkheid is om absolute rechtvaardigheid toe te passen. Er kunnen zich gebeurtenissen voordoen die als een algemene, voor niemand te ontlopen beproeving (ʿumūm al-balwā) iedereen treffen; de omstandigheden en de actuele situatie kunnen dan het gebruik van bepaalde dispensaties (rukhṣah) noodzakelijk maken. Het kan dan zo zijn dat, in geval van de handhaving van absolute rechtvaardigheid, de rust en orde in de samenleving niet gewaarborgd blijft. In zulke gevallen kan men zich beroepen op relatieve rechtvaardigheid.
Relatieve rechtvaardigheid is een benadering die wordt toegepast op grond van noodzaak en algemeen belang, en staat daarom op uiterst glad ijs. Want “een grotere schade voorkomen” is een rekbaar argument: wat er precies onder valt, is al gauw een subjectieve kwestie, en dat zet de deur op een kier voor de machthebber die zijn eigen handelen wil rechtvaardigen. Daarom moet zorgvuldig worden nagegaan of er werkelijk sprake is van noodzaak, of de alternatieven wel echt uitgeput zijn, en of de schade die men op de koop toe neemt daadwerkelijk “het minste kwaad” is. Anders zou relatieve rechtvaardigheid wel eens kunnen ophouden een beginsel te zijn dat rechten beschermt, en in plaats daarvan een dekmantel worden voor onrecht. Zo is in de geschiedenis soms, met een beroep op “de eeuwigdurende staat”[3], inbreuk gemaakt op de rechten van sommigen; zelfs in de meest democratische landen zijn soms wandaden gepleegd, met als motivering “het algemeen belang”.
Relatieve rechtvaardigheid kent nog een ander risico: in het islamitisch recht worden de rechten van de gemeenschap tegelijk beschouwd als “het recht van God”. Deze rechten zijn dus uiterst belangrijk. Vanuit dat oogpunt kunnen de rechten van sommige mensen, in reactie op bepaalde gebeurtenissen, onder de noemer relatieve rechtvaardigheid worden veronachtzaamd. Maar na verloop van tijd komt het zo ver dat alle rechten van individuen als onbelangrijk worden beschouwd en hun rechten helemaal niet meer worden beschermd. Mensen die op valse gronden schuldig worden bevonden, kunnen dan zware straffen krijgen.
De grenzen van vrijheid
Hier dient nog een punt te worden verduidelijkt dat tot misverstanden zou kunnen leiden. Volgens absolute rechtvaardigheid mag het recht van geen enkel individu worden geschonden, ook niet wanneer het recht van de gemeenschap in het geding is. Maar dat betekent niet dat iedereen kan doen wat hij wil zonder daar ooit op aangesproken te kunnen worden. Respect voor de rechten en de gewetensvrijheid van individuen betekent niet dat zij onbegrensd en ongebonden zijn. Het recht van het individu eindigt waar het recht van anderen begint. Als de uitoefening van individuele rechten schade toebrengt aan het recht van de gemeenschap, is het onvermijdelijk dat bepaalde sancties in werking treden. Zelfs in de meest liberale systemen worden bepaalde beperkingen aan rechten en vrijheden opgelegd. Zo wordt het bijvoorbeeld niet toegestaan dat mensen onrust en verdeeldheid zaaien in de samenleving. Zo hebben ook de Godsgezant ﷺ en de rechtgeleide kaliefen de afvalligheidsopstanden die in hun tijd uitbraken, met harde hand onderdrukt.[4] In dergelijke situaties worden sommige personen bepaalde rechten ontzegd.
Indien een persoon, hetzij als staatsburger, hetzij als lid van een maatschappelijke organisatie, door zijn handelingen de geestelijke eenheid schaadt of inbreuk maakt op het recht van de gemeenschap, is het de plicht van de samenleving om hem ervan te weerhouden deze daden te verrichten. Daarvoor bestaan verschillende wegen: eerst wordt er raad gegeven en geprobeerd hem te overtuigen; als hij in zijn fouten volhardt, worden er andere maatregelen ingezet zodat hij geen verdere schade meer kan aanrichten. Zo nodig wordt hij bijvoorbeeld uit zijn omgeving geweerd of verwijderd. Is er sprake van een strafbaar feit, dan wordt via de wet de schade een halt toegeroepen. Afhankelijk van de aard van de aangerichte schade wordt teruggegrepen op middelen als een dementi, een verduidelijking, een rectificatie of een schadevergoeding. Wie samen met anderen op één schip vaart, mag immers geen gat in de romp boren; want als het schip zinkt, lijdt iedereen daar schade van. Hem tegenhouden en hem het gereedschap uit handen nemen waarmee hij het gat probeert te boren, is daarom zowel het recht als de plicht van iedereen aan boord.
Recht en overleg tegen willekeur
Om misbruik te voorkomen, mogen dit soort kwesties echter niet worden overgelaten aan persoonlijke opvattingen, en evenmin aan het persoonlijke oordeel van bepaalde mensen. Anders kunnen eigen begeerten en grillen erin gaan meespelen. Voor problemen moeten altijd oplossingen worden gevonden binnen de grenzen van het recht. Wat als misdrijf geldt, moet vooraf bij wet worden vastgesteld, en ook schuldigen moeten binnen het kader van het recht worden gestraft. Zoals Bediüzzaman ook heeft benadrukt: de macht moet bij de wet berusten, niet bij individuen.[5]
Ook binnen maatschappelijke organisaties zoals stichtingen, verenigingen en gemeenschappen geldt: waar en hoe absolute of relatieve rechtvaardigheid wordt toegepast, mag niet aan de willekeurige beslissingen van individuen worden overgelaten; dit moet altijd via de overlegorganen worden bepaald. Dit soort structuren moeten, wanneer ze gebruikmaken van de rechten en mogelijkheden die hun zijn toegekend, het bestuur raadplegen; bij beslissingen die de rechten van anderen raken, mag geen willekeur worden toegestaan. Er moet gehandeld worden binnen het kader van vooraf vastgestelde statuten en reglementen.
Als het waarborgen van rechtvaardigheid wordt overgelaten aan de willekeurige beslissingen van individuen, kunnen persoonlijke voorkeuren meewegen. Mensen weten zelfs hun eigen onrecht met de mantel der rechtvaardigheid te bedekken. Despoten die de rechten van duizenden mensen met voeten treden, kunnen beweren dat ze handelen volgens relatieve rechtvaardigheid; ze kunnen zich beroepen op noodzaak en algemeen belang en zo de rechtvaardigheid te gronde richten.
De grondslag van rechtvaardigheid: geloof en geweten
Het waarborgen van rechtvaardigheid hangt mede af van geloof, van de band met God en van het besef van verantwoordelijkheid. Sommige mensen hebben, door de positie die ze bekleden, veel macht om te beslissen; de beslissingen die ze nemen kunnen het lot van grote groepen mensen beïnvloeden. Iemand met een sterke band met God, die gelooft dat zelfs het schaden van het kleinste levende wezen een zware verantwoordelijkheid met zich meebrengt, tast niet gauw iemands recht aan en doet niemand willens en wetens onrecht. Mensen van wie het geloof in een hiernamaals zwak is en die niet bang zijn voor de afrekening, kunnen zich daarentegen laten meeslepen door hun begeerten, verkeerde beslissingen nemen en zich schuldig maken aan onrechtvaardige praktijken. Ze kunnen zelfs proberen religieuze rechtvaardigingen te vinden voor hun nalatigheid, hun fouten en hun onrecht.
Iemand wiens hart vervuld is van vrees voor God, wil niet voor zijn Heer verschijnen zolang hij nog een medemens recht schuldig is. Hij onderzoekt voortdurend zichzelf en gaat zijn fouten na. Zo iemand weegt al zijn doen en laten op de gevoelige weegschaal van het geweten; hij onderscheidt onrecht en rechtvaardigheid met grotere scherpte. Hij kan beoordelen of zijn handelen het recht dient en of het niet tot een schending van iemands recht leidt. Omdat het hem er wezenlijk om te doen is het recht overeind te houden, streeft hij altijd naar absolute rechtvaardigheid; wanneer hij genoodzaakt is tot relatieve rechtvaardigheid, handelt hij met een groot verantwoordelijkheidsgevoel. Merkt hij dat hij iemands recht heeft geschonden, ook al was het onbedoeld, dan aarzelt hij niet het onrecht te herstellen, zijn excuses aan te bieden en om vergiffenis te vragen. Want hij is doodsbang om voor Gods aangezicht te verschijnen zolang hij nog bij een medemens in het krijt staat.
In dit opzicht hangt het af van hoe sterk onze band met God is, of rechtvaardigheid werkelijk tot stand komt en problemen op rechtvaardige wijze worden opgelost. Als geloof en vroomheid in de harten zwak zijn, kunnen mensen zelfs aan het onrecht dat ze begaan, met allerlei interpretaties en gezochte uitleg, een schijn van rechtvaardigheid geven. Met subjectieve beoordelingen zetten ze rechtvaardigheid naar hun hand; ze verruimen of vernauwen haar grenzen naar eigen goeddunken. De godsdienst is echter gezonden om mensen te vormen binnen de maatstaven van recht en rechtvaardigheid, niet opdat mensen de godsdienst naar hun eigen begeerten zouden vormen. De godsdienst behoort God toe; wat ons te doen staat, is trouw blijven aan de maatstaven en grenzen die Hij heeft gesteld.
Voelen we ons bij het naleven van de voorschriften van onze godsdienst op sommige punten beklemd, dan ligt het probleem niet bij de godsdienst, maar bij onze benadering ervan. Dat kan een teken zijn dat de samenleving waarin we leven, de cultuur die we hebben overgenomen en de omgeving waarin we zijn opgegroeid, ons bepaalde verkeerde gewoonten hebben bijgebracht. Daarom moeten we ons allereerst richten op zelfverbetering en proberen ons van dit soort gebreken te ontdoen. Wanneer we onszelf herstellen en in staat zijn om de godsdienst op volmaakte wijze te beleven, kunnen we ook rechtvaardigheid naar behoren vestigen en een leven leiden dat ieders recht respecteert.
[1]Bediüzzaman, İşârâtü'l-İ'câz; Muhâkemât; Barla Lâhikası.
[2]Bediüzzaman, Mektubat, Vijftiende Brief, Tweede Vraag.
[3]De Ottomaanse formule devlet-i ebed müddet, letterlijk “de staat van eeuwige duur”. Het is een wensformule voor een ideale staat waarvan gewenst wordt dat zij voortduurt tot de het einde van de wereld. Als ideaal stelt zij eisen aan de staat zelf. Niet te verwarren met staatsraison.
[4]Gewapende opstanden waarmee stammen zich rond de dood van de Profeet van de jonge staat losmaakten, meestal achter iemand die zichzelf tot profeet had uitgeroepen.
[5]Bediüzzaman, Tarihçe-i Hayat.
